Follow Me on Twitter
Fout
  • JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 62 niet laden
zondag, 02 oktober 2011 11:02

Sterke toename wereldwijde 'landgrabbing'

1. Oogsten van palmolie

Als gevolg van de toegenomen vraag naar biobrandstoffen en de stijgende voedselprijzen kopen of 'huren' buitenlandse bedrijven en overheden op grote schaal goedkope landbouwgrond in ontwikkelingslanden. Wereldwijd gaat het om tientallen miljoenen hectares, vooral in Afrika maar ook steeds meer in Latijns-Amerika en Azië. In de Filipijnen werd in de afgelopen jaren voor grootschalige landbouw acht miljoen hectare land gereserveerd. Het fenomeen staat internationaal bekend als 'landgrabbing' een term waarvoor nog geen goed Nederlands equivalent is.

Door Evert de Boer

Samen met de toegenomen vraag naar biobrandstoffen en de financiële crisis, leidde de stijging van de voedselprijzen in 2008 tot grote belangstelling bij investeerders in (goedkope) landbouwgrond in ontwikkelingslanden. Het gevolg was een explosie in de vraag naar landbouwgrond. In 2009 alleen al, zouden buitenlandse investeerders 45 miljoen ha landbouwgrond verworven hebben. Daarbij richten zij zich vaak op Afrikaanse landen met een zwakke regering en dito wetgeving. Maar het beperkt zich niet tot dat continent, want 'landgrabbing' komt ook op steeds grotere schaal voor in Midden- en Zuid-Amerika en Azië. In totaal zou het nu wereldwijd al om tenminste 63 miljoen hectare gaan.

Emerging Ethanol producer in Asia

Niet duurzaam

De voorstelling van zaken is dat een grootschalige industriële en commerciële aanpak van de landbouwsector leidt tot een efficiëntere productie van landbouwgewassen voor consumptie en biobrandstoffen, die bovendien het leven van arme boeren zal verbeteren. De grond waar het om gaat zou vooral bestaan uit braakliggende landbouwgrond en onontgonnen grote percelen. De investeerders zijn grote multinationale bedrijven, internationale instellingen als de Wereldbank, regionale Ontwikkelingsbanken en overheden van landen als China, Zuid-Korea, India, het Verenigd Koninkrijk en verschillende landen uit het Midden-Oosten.
Landbouwgrond wordt echter niet alleen aangekocht voor productiedoeleinden, maar door het gebrek aan alternatieven voor financiële investeringen wordt het de laatste jaren steeds meer gekocht voor speculatieve doeleinden.

Plantages zo ver  als het oog reiktIn de praktijk gaat het veelal niet om braakliggende grond maar over grond die al generaties lang bewerkt wordt door kleine boeren en om leefgebieden van inheemse volken. Volgens onderzoeksrapporten van maatschappelijke organisaties en experts in de landbouwsector gaan de megatransacties vaak gepaard met een miskenning van eigendomsrechten en verliezen marginale groepen en gemeenschappen hun grond en hun bestaansmogelijkheden. Er zijn ook steeds meer gevallen waarbij bossen en natuurlijke vegetatie moeten wijken voor biobrandstofgewassen als suikerriet, palmolie of jathropa. Volgens deze onderzoeken zijn de grootschalige landbouwmethodes niet duurzaam op sociaal, economisch of milieuvlak. De industriële landbouw op grootschalige plantages leidt tot een monocultuur, waarbij een toenemende hoeveelheid kunstmest en bestrijdingsmiddelen nodig zijn om de productie op peil te houden. Milieuorganisaties zeggen dat hierdoor de grond op grote schaal wordt vergiftigd, aan ecosystemen grote schade toegebracht wordt en de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen er aanzienlijk door toeneemt.

Principes voor verantwoorde investeringen

Om de wereldwijde landbouwmarkt te liberaliseren en de grootschalige aanpak en 'landgrabbing' aanvaardbaar te maken, proberen de Wereldbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank en andere internationale instellingen te komen tot een maatschappelijk verantwoorde aanpak. Om dat te bereiken willen ze afspraken maken over transparantie, wederzijds voordeel en eigendomsrechten. Zij hebben daarvoor een set van principes ontwikkeld voor 'verantwoorde agrarische investeringen'. Deze principes worden ook ondersteund door verschillende internationale netwerken van maatschappelijke organisaties, die dit zien als een uitgelezen kans voor de ontwikkeling van de internationale landbouwsector met een win-win situatie voor producenten en consumenten. De voorstanders spreken dan bij voorkeur ook niet van 'landgrabbing' maar van grootschalige investering in landbouw en landbouwgrond.

Voedselproductie voor export

De critici van de liberalisering van de wereldwijde landbouwmarkt en grootschalige investeringen geloven niet dat de principes van de Wereldbank en de andere instellingen veel invloed zullen hebben op de negatieve impact van 'landgrabbing'. Dat komt vooral omdat ze niet ver genoeg gaan, niet concreet genoeg zijn en niet afdwingbaar zijn. Zij zeggen dat de principes vooral bedoeld zijn als een poging om 'landgrabbing' te legitimeren. Sommigen beschrijven de voorgestelde investeringsvoorstellen van de Wereldbank zelfs als neokolonialistisch. Een van die critici is Olivier De Schutter, de uit België afkomstige speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel. Hij stelt het betreurenswaardig te vinden dat in plaats van dat de uitdaging aangegaan wordt om de landbouwsector te ontwikkelen op een wijze die sociaal en ecologisch duurzaam is, er gedaan wordt alsof het wereldwijd uitschakelen van de boerenstand tot een verantwoordelijke oplossing leidt.

Ethanol pompDe kans op voedseltekorten neemt aanzienlijk toe omdat voedselgewassen geteeld voor de lokale bevolking steeds meer concurrentie krijgen van gewassen voor biobrandstof. Anderen wijzen erop dat zelfs als een buitenlandse investeerder geld pompt in de productie van voedsel, in plaats van energiegewassen, dan nog het voedsel vooral bestemd is voor de export zodat de voedselzekerheid van de lokale bevolking er niet door verbetert. Het komt er dan op neer dat in ontwikkelingslanden voedsel wordt geëxporteerd, terwijl er een voedseltekort is.
De grootschalige landbouw levert volgens de critici maar weinig en vaak slecht betaalde banen op voor de lokale bevolking. Ook vindt er geen overdracht van kennis plaats en is verbetering van de infrastructuur niet gericht op de plattelandsbevolking.

Geen beperkingen

Eerder dit jaar vaardigden Brazilië, Argentinië en Uruguay normen uit om de hoeveelheid landbouwgrond die in buitenlandse handen komt aan banden te leggen. Geen enkel van de drie landen maakt het buitenlandse investeerders echter helemaal onmogelijk grond te kopen of huren.

Aziatische landen kennen deze beperkingen niet. De Cambodjaanse regering tekende bilaterale lease contracten met Koeweit en Qatar voor de verbouw van rijst voor deze landen. Als tegenprestatie investeren de landen honderden miljoen euro in de verbetering van irrigatiesystemen en de aanleg van wegen. Saoedi-Arabië investeerde tientallen miljoenen euro in het huren van grote percelen landbouwgrond voor de productie van basmati rijst in Cambodja, Vietnam, Pakistan en de Filipijnen. In West Papua, in Indonesië, wordt met een investering van ruim vier miljard euro aan buitenlands kapitaal een gebied van 1,6 miljoen hectare grond ontwikkelend voor voedselproductie en biobrandstof, met huurcontacten tot 90 jaar. De eerste oogsten van rijst, graan en palmolie worden in de loop van 2012 verwacht. Het gebied is zo groot dat het niet alleen landbouwgrond omvat, maar ook woongebieden van de inheemse bevolking (de Malind), gemeenschappen van laaglandbewoners, oerwouden, veenlanden, meren en waterwingebieden.

De Filipijnen

Ananas plantageIn de Filipijnen heeft de regering de afgelopen jaren op een tamelijk agressieve manier investeringen in de landbouwsector proberen aan te trekken. De Arroyo regering zette er een speciale overheidsinstantie voor op die de taak had hier een programma voor te ontwikkelen: De Philippine Agricultural Development and Commercial Corporation (PADCC). Er is zes miljoen hectare zogenaamd braakliggende en marginale landbouwgrond gereserveerd voor de productie van suikerriet, cassave, jathropa, palmolie en zoete sorgo (soort gierst), grotendeel bestemd voor biobrandstof. Daarnaast is er nog eens twee miljoen hectare gereserveerd voor grootschalige voedselproductie. Uit onderzoek blijkt dat er van de acht miljoen inmiddels drie miljoen hectare in gebruik is genomen.
Grote investeerders zijn Saoedi-Arabië en China. Zo heeft Saoedi-Arabië 200 miljoen euro geïnvesteerd in de productie van bananen, mango, ananas, maar ook in de verbouw van basmati rijst, maïs, cassave en suiker. Ze hebben hiervoor de beschikking gekregen over 100.000 hectare voor een periode van 50 jaar. Met Chinese bedrijven ondertekende de regering sinds 2007 achttien contracten waarmee 1,24 miljoen hectare is gemoeid. De landbouwgrond wordt gebruikt voor voedselproductie voor de Chinese bevolking, voor veevoer en voor biobrandstoffen.

De grond die door de overheid ter beschikking wordt gesteld bevindt zich in verschillende delen van het land, maar er is een sterke concentratie in Mindanao. Er zijn toezeggingen voor investeringen van twee miljard euro in 2,4 miljoen hectare. Contracten voor voedselgewassen en de productie van biobrandstoffen zijn aangegaan met bedrijven en overheden uit Zuid-Korea, Japan, Maleisië, China, de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Saoedi-Arabië, Spanje en het Verenigd Koningrijk.

Uitgegeven gronden reeds in gebruik

Jatropha plantageNaast buitenlandse investeerders zijn ook Filipijnse bedrijven actief in de verbouw van gewassen voor voedselvoorziening en voor biobrandstof. Zo kreeg de Nationale Filipijnse Oliemaatschappij een lening van 10 miljard peso (1,5 miljard euro) voor het opzetten van grootschalige verbouw van jatropha voor de productie van biogas. De grootste investering komt echter van de San Miguel Corporation (CMC). Het bedrijf heeft een contact ondertekend met de Filipijnse regering en een Maleisische bedrijf, Kuok Group, voor het opzetten van een Filippijns voedselzekerheidsprogramma onder de naam "Feeding our Future". Voor het project moet één miljoen hectare land ontwikkeld worden voor productie van belangrijke voedselgewassen in verschillende provincies in Mindanao.
Andere grote investeerders met Filipijnse betrokkenheid zijn Eco Global Bio Oil en ALSONS Power.

In de praktijk blijkt dat aan het uitvoeren van de projecten veel haken en ogen zitten. De belangrijkste daarvan is dat het in veel gevallen helemaal niet gaat om braakliggende en marginale gronden, maar om landbouwgrond waar boeren rijst en ander voedselgewassen verbouwen, om voorouderlijke gronden van inheemse volken en bosgebieden of secundair oerwoud. Als de grond niet bewerkt wordt gaat het vaal om onvruchtbare en soms ontoegankelijke gronden.

Uit de stafkaarten die SMC van de overheid kreeg bleek dat de aan hun toegewezen gronden in de provincies Davao del Sur, Davao del Norte, Sarangani, Bukidnon, Augusan del Sur, Sultan Kuderat en Zamboanga del Sur bestond uit niet gebruikte en braakliggende grond. Maar uit een inspectie ter plaatste bleek dat overal mensen wonen en dat de grond al lang in gebruik is als landbouwgrond. In veel gevallen hebben boeren zelfs eigendomspapieren verkregen na de invoering van landhervorming. In andere delen wonen inheemse gemeenschappen die titels hebben voor het gebruik van voorouderlijke gronden. Het blijkt dat de PADCC en andere overheidsinstanties die betrokken zijn bij de uitgifte van deze gronden geen idee hebben wat de situatie is in de gebieden waar ze grond beschikbaar stellen. Om toch de grond te kunnen gebruiken gingen vertegenwoordigers van SMC onderhandelen met de boeren om hen over te halen op contractbasis gewassen voor het bedrijf te verbouwen. Erg succesvol waren ze nog niet. In plaats van de geplande 18.000 hectare in Davao del Sur, Davao de Norte en Bukidnon is nog geen 3000 hectare bebouwd met industriële cassave, dat gebruikt wordt voor veevoer.

Critici willen andere aanpak

Tegenstanders van de schaalvergroting in de landbouwsector vinden elkaar steeds vaker in internationale fora en bij bijeenkomsten hierover georganiseerd door de Wereldbank en de Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO). Ze bepleiten een aanpak die lijnrecht staat tegenover de huidige ontwikkeling. Ze hebben daarbij sinds kort steun gekregen van een commissie van experts ingesteld door de FAO, die onlangs met een beleidsadvies kwam.

De voorstellen van de critici komen in het kort neer op het bevorderen van op gemeenschap georiënteerde voedsel- en landbouwsystemen die steunen op de zeggenschap van plaatselijke bewoners over land, water en biodiversiteit. Daarnaast op het invoeren van strikte voorschriften die de toegang van ondernemingen en andere machtige actoren tot landbouwgronden, kustgebieden, graslanden, bossen en moeraslanden beperken. Ze bepleiten steun voor kleinschalige en ecologisch verantwoord werkende boeren en vissers op allerlei gebied, ook met participerend onderzoek en trainingprogramma's, zodat zij genoeg, gezond en veilig voedsel kunnen produceren voor iedereen. Verder dringen ze aan op een herziening van het internationale landbouw- en handelsbeleid, waarbij uitgegaan wordt van voedselzelfvoorziening per land en per regio.

Laat een reactie achter

Zorg ervoor dat u de verplichte (*) velden invult waar dit is aangegeven. HTML code is niet toegestaan.